"... dat hem niets meer ontbrak dan een edele dame om zich op te verlieven; want dolend ridder zonder geliefde is als boom zonder blad en vruchten en als lichaam zonder ziel." 1
zaterdag 12 januari 2008
vrijdag 11 januari 2008
Instortingsgevaar
Het huilen staat me nader dan het lachen. Al maanden "wacht" ik op de werkelijke start van mijn reintegratiebegeleidingstraject: hulp en ondersteuning bij het beter en stabiel worden, mijn valkuilen opzoeken en ze vervolgens dichtstorten. Na in oktober zelf de strijd te zijn aangegaan, in afwachting van de verdere uitwerking van het aanbod van mijn werkgever, had ik de verwachting in november te kunnen starten. Het door de revalidatiearts aangeboden traject heb ik hiervoor laten schieten. Nu, half januari ben ik wel verder, maar niet in het traject en zeker niet stabiel. Al eerder had ik een terugval, in november op en rond mijn verjaardag - zoek maar niet naar een causaliteit. Daar zocht ik de steun van de bedrijfspsycholoog om vooral het proces van overeenstemming over het traject te begeleiden. December kwam ik door op de toppen van mijn emoties, zowel in Madrid als later thuis, al schrijvend.
En nu is er na drie en een halve maand nog steeds geen formele en definitieve "GO". De barriere om te starten ligt bij mijn werkgever, die mij zowel een wortel voorhield als mij af en toe met een stok beroerde. En vervolgens zelf ging zitten afwachten. Want zoals veel later pas bleek was het aanbod van het traject aan stringente voorwaarden gebonden: mijn handtekening voor ontslag. De laatste weken voel ik mezelf langzaam afglijden, wat zeg ik: instorten. Na de behandeling bij de fysio van afgelopen dinsdag en de nawerking daarvan, voelt het alsof ik weer terug bij af ben. Mijn nek voelt hetzelfde als medio maart vorig jaar. Niet goed dus, helemaal niet goed. En de mentale uitwerking daarvan is ook weer even heftig. Meteen concentratieverlies, mijn geheugen werkt nog minder en mijn hoofd loopt al over als ik twee mensen tegelijk hoor praten. De afgelopen weken liep ik over de spreekwoordelijke spanten van het dak. Het huis staat er wel maar echt stevig is het niet. De wind jaagt er doorheen en vorige week op het hoogste punt had ik een wankel evenwicht. Hier lig ik dan, op de vloer van de kelder waarin een trap nog ontbreekt.
Ik ga maar even wat hout, een zaag en spijkers verzinnen. Heeft iemand nog een hamer in de aanbieding?
En nu is er na drie en een halve maand nog steeds geen formele en definitieve "GO". De barriere om te starten ligt bij mijn werkgever, die mij zowel een wortel voorhield als mij af en toe met een stok beroerde. En vervolgens zelf ging zitten afwachten. Want zoals veel later pas bleek was het aanbod van het traject aan stringente voorwaarden gebonden: mijn handtekening voor ontslag. De laatste weken voel ik mezelf langzaam afglijden, wat zeg ik: instorten. Na de behandeling bij de fysio van afgelopen dinsdag en de nawerking daarvan, voelt het alsof ik weer terug bij af ben. Mijn nek voelt hetzelfde als medio maart vorig jaar. Niet goed dus, helemaal niet goed. En de mentale uitwerking daarvan is ook weer even heftig. Meteen concentratieverlies, mijn geheugen werkt nog minder en mijn hoofd loopt al over als ik twee mensen tegelijk hoor praten. De afgelopen weken liep ik over de spreekwoordelijke spanten van het dak. Het huis staat er wel maar echt stevig is het niet. De wind jaagt er doorheen en vorige week op het hoogste punt had ik een wankel evenwicht. Hier lig ik dan, op de vloer van de kelder waarin een trap nog ontbreekt.
Ik ga maar even wat hout, een zaag en spijkers verzinnen. Heeft iemand nog een hamer in de aanbieding?
dinsdag 8 januari 2008
Luis
"Snel nu, opstaan!", ze grijpt me onder mijn oksel en zet me met één ruk op mijn voeten. Verdoofd en verward laat ik me gewillig in de richting van het keukentje duwen. "Door, loop door!", een por in mijn zij met het pistool, de vingers van haar gehandschoende linkerhand knijpen stevig in mijn bovenarm. "Verdomme man, we hebben geen uren de tijd, schiet op!". Gedwee versnel ik mijn pas, mijn gedachten verwaaien, ik zie vaag de kratten links van mij opdoemen, wijn, maar de naam van het domein krijg ik maar niet scherp op mijn netvlies. Ik moet het lezen, ik moet het weten. Ze duwt me de trap op, "naar boven, kom op nou, zometeen zijn ze hier". "He laat me even, ik kan niet meer" mompel ik, ik struikel, ik val voorover. Haar grip verstevigt, ze is sterk, beresterk. Een flard van een herinnering, het kamp in de bergen. Het eiland, kom op! De naam! Mijn geheugen werkt niet mee, ik wil slapen, ik ben vreselijk moe ineens.
maandag 7 januari 2008
Louis
"Pas op", riep de man, nog net voordat de wodkafles in splinters uiteen barstte op de houten vloer. Ik stap opzij en zeg: "zonde van al dat kostelijk vocht". Hij lacht en geeft mij een duw. De vrouw aan het eind van de bar glijdt van haar kruk. Duwt haar sigaret uit in de asbak en zucht. "Stelletje klootzakken!", schreeuwt ze in onze richting. Ze loopt naar het kleine keukentje achter de bar en pakt een emmer, een veger en blik en een dweil. Uit het kraantje tapt ze de emmer vol met heet water, de damp stijgt omhoog. Wanneer ze het gordijntje weer terugschuift en onze kant oploopt klinkt er plotseling gerammel en een klap. De roede valt naar beneden. Vanuit mijn ooghoek zie ik nog net een gelaarsd been in de deuropening verschijnen. De man naast mij duikt weg achter de bar, een paar krukken omver stotend en mij aan de kraag van mijn shirt meetrekkend in zijn val. "Ssst", maant hij mij tot stilte.
In mijn wang prikt het stuk glas dat nog aan de dop van de kapotte fles vastzit. Mijn bloed vermengt zich met de wodka op de vloer. Zo heb ik er geen plezier van, dit is dubbel zonde. Ik verbijt mijn tranen en geef geen kik. De man kijkt mij aan, één vinger op zijn lip, zijn andere hand in mijn nek, een stevige grip. Hij drukt mij vaster tegen de grond, ziet mijn verwonding niet. Ik staar hem recht in de ogen met een verbaasde blik. Achter de bar gilt de vrouw. Ze laat de emmer vallen, ik hoor het water over de vloer stromen. Ze gilt nogmaals en roept, "Auw, auw, heet, klootzak!". De laars stampt rond achter de bar, een oorveeg: "Houd je bek, bitch! Vertel waar die verrader is!".
De greep in mijn nek is steviger nu. Weer een gil vanachter de bar. De man naast mij kruipt voorzichtig langs mij, ik richt mij op, zie een pistool - een beretta - in zijn hand. Ik rol op mijn zij. Hij mikt in de richting van de bar. Ik trek het glas uit mijn wang, rol door en druk mijn handen tegen mijn oren. De knal is nog oorverdovend. Verbrand kruit spat op mijn huid. Ik kreun van de pijn. Twee schoten, de kogels slaan in op de kruk naast mij. "Verdomme, hufter", klinkt er vanachter de bar. De man is al verder gekropen. Gesleep vanachter de bar. "Nee, laat me gaan", een gil, de vrouw komt om de bar gerend richting de deur. Een schot, de kogel raakt haar been, weer een gil, ze strompelt verder, valt tegen de deur. Het glas geeft niet mee. Even lijkt het alsof ze terugveert en dan gekraak. Ze valt voorover door de sponning op straat.
Een laars om de hoek van de bar. Rood bloed druipt in een brede straal over het zwart glimmend leer. "Hé", klinkt het naast me, "Hé", iets harder nu. Ik ben nog half doof van de knal naast mijn oor. Een uitgestoken hand, "Mateo" zegt de man met het korte gitzwarte haar en een dikke stoppelbaard. Wat een moment om je voor te stellen. Ik steek mijn hand uit, open mijn mond en zeg "...", tegelijkertijd klinkt een schot. Het hoofd van Mateo dat vlak naast het mijne is, spat uit elkaar. Ik voel zijn bloed op mijn tong neerdalen. Vol walging kots ik mijn maaginhoud over de vloer. Tranen spatten uit mijn ogen. Ik kijk naast mij: Mateo's levenloze lichaam, we kenden elkaar nog niet eens. Hij stierf onwetend.
In mijn wang prikt het stuk glas dat nog aan de dop van de kapotte fles vastzit. Mijn bloed vermengt zich met de wodka op de vloer. Zo heb ik er geen plezier van, dit is dubbel zonde. Ik verbijt mijn tranen en geef geen kik. De man kijkt mij aan, één vinger op zijn lip, zijn andere hand in mijn nek, een stevige grip. Hij drukt mij vaster tegen de grond, ziet mijn verwonding niet. Ik staar hem recht in de ogen met een verbaasde blik. Achter de bar gilt de vrouw. Ze laat de emmer vallen, ik hoor het water over de vloer stromen. Ze gilt nogmaals en roept, "Auw, auw, heet, klootzak!". De laars stampt rond achter de bar, een oorveeg: "Houd je bek, bitch! Vertel waar die verrader is!".
De greep in mijn nek is steviger nu. Weer een gil vanachter de bar. De man naast mij kruipt voorzichtig langs mij, ik richt mij op, zie een pistool - een beretta - in zijn hand. Ik rol op mijn zij. Hij mikt in de richting van de bar. Ik trek het glas uit mijn wang, rol door en druk mijn handen tegen mijn oren. De knal is nog oorverdovend. Verbrand kruit spat op mijn huid. Ik kreun van de pijn. Twee schoten, de kogels slaan in op de kruk naast mij. "Verdomme, hufter", klinkt er vanachter de bar. De man is al verder gekropen. Gesleep vanachter de bar. "Nee, laat me gaan", een gil, de vrouw komt om de bar gerend richting de deur. Een schot, de kogel raakt haar been, weer een gil, ze strompelt verder, valt tegen de deur. Het glas geeft niet mee. Even lijkt het alsof ze terugveert en dan gekraak. Ze valt voorover door de sponning op straat.
Een laars om de hoek van de bar. Rood bloed druipt in een brede straal over het zwart glimmend leer. "Hé", klinkt het naast me, "Hé", iets harder nu. Ik ben nog half doof van de knal naast mijn oor. Een uitgestoken hand, "Mateo" zegt de man met het korte gitzwarte haar en een dikke stoppelbaard. Wat een moment om je voor te stellen. Ik steek mijn hand uit, open mijn mond en zeg "...", tegelijkertijd klinkt een schot. Het hoofd van Mateo dat vlak naast het mijne is, spat uit elkaar. Ik voel zijn bloed op mijn tong neerdalen. Vol walging kots ik mijn maaginhoud over de vloer. Tranen spatten uit mijn ogen. Ik kijk naast mij: Mateo's levenloze lichaam, we kenden elkaar nog niet eens. Hij stierf onwetend.
zaterdag 5 januari 2008
Hand
Over het stoepje langs je huis, tussen de struiken achter in de tuin, kom ik op het paadje dat doorsteekt naar de weg. Ik loop rustig de andere kant op, met de weg achter mij, verder de heuvel af in de richting van de oude school. In de verte zie ik de caramel bruine labrador een sprintje trekken. Ze komt mijn kant op. Vol enthousiasme stopt ze en keert weer om. Ik verscherp mijn blik, in het gefilterde zonlicht dat stoffig door het bladerdak prikt ontwaar ik een gestalte. Op deze afstand nog nietig klein. Jij moet het zijn, maar vanaf hier kan ik niets aan detail waarnemen. Je staat stil, zelfs je tred verraad niet of jij het werkelijk bent. In een dertigtal seconden is de hond vlakbij je. Ze danst om je heen, wil tegen je opspringen, je stapt opzij en doet een pas naar voren. Mijn hart vlamt meteen op, je bent het! Ik herken je loopje. De warmte stroomt weer in mijn lijf.
Ik blijf waar ik ben, je hebt mij nog niet gezien. Zo'n driehonderd meter is er nog tussen ons. Jij richt je aandacht op de hond, de lijn vermoed ik in je hand, je bent in jouw moment, de wandeling met Senna, je gedachten bij...? Je verwacht me niet. En zoeven had ik nog niet het idee om hier te zijn, het was spontaan. Ik fietste voorbij op weg naar huis en dacht aan jou, mijn lijf hunkerend naar het jouwe. En voor ik het wist stond mijn fiets tegen de garagemuur, vond ik een gesloten deur en geen hond die aansloeg. Het moment van verlangen vergroot ik door nu niet te gaan rennen, nu ik weet dat je binnen bereik bent. Ik wacht op jouw reactie op mijn aanwezigheid. Ik zal het zien, aan je lichaam, aan je pas, aan je ademhaling, aan je ogen, aan je mond. En de hond zal je verraden als je toneel speelt. Verstijft ze, dan wil je me niet ontvangen. Blijft ze speels dan ben je ontspannen. Ik wacht op mijn iets verheven positie, doe een stap terug richting de bosschage. Vanuit mijn plek in de schaduw heb ik een goed zicht op het licht glooiende pad dat je nog te volgen hebt tot we elkaar ontmoeten. De kans dat je mij hier ontwaart is klein, zeker tot het moment dat ik in je ogen kan kijken, op zo'n vijfentwintig meter afstand, zul je niet weten dat ik hier sta.
Je wandelt traag, de hond danst om je benen, in gedachten verzonken steek je af en toe een afwerende hand uit. Nee, niet spelen nu lijk je te zeggen. Wat houd je bezig? Hoewel je langzaam vordert is je pas krachtig, niet slepend. Hoe dichterbij je komt, hoe meer detail ik ontwaar. Je wandelt tussen de bramen en frambozen struiken die langs het pad woekeren, nog steeds een speels springende hond om je blote benen. Telkens weer weer je haar af, soms een stapje opzij om een mogelijke hondenpoot op je blote vel te vermijden. Het is warm en ik ben blij met mijn plekje in de schaduw. Je rustige ritme is een goede keus bij deze hitte. Je veegt zo nu en dan een hand over je korte rokje. De knoopjes van je topje staan allemaal open. Je hand gaat regelmatig naar je nek, je wrijft de warmte weg, tevergeefs. Je platte zwarte schoenen hebben een grijs zweem van het zand op het pad. Al lopend trek je een stoffig spoor achter je aan.
Ik schat de meters, vanaf het moment dat ik je herkende heb je meer dan de helft van de afstand overbrugd. De hond blijft plots staan, geen sprongen meer. De neus omhoog, onrustig gedraai. Ik blijf doodstil staan. Wat voor jou geldt, geldt ook voor mij. De hond zal ons allebei verraden. En ik ben eerst aan de beurt. Je kijkt nog steeds niet op, je blik gaat naar Senna, een hand uitgestoken naar de kop van de hond. Ze weert af, ze weert jou af. Ze gaat zitten en wacht, wacht op jouw commando. Even richt je je op, je rug recht en je blik in de verte. Maar je kijkt niet, je ziet niets. Je gedachten houden je blik naar binnen gevangen. Je hervat je wandeling, de hond volgt gedwee. De glimlach die ik zoeven nog op mijn lippen had, sterft langzaam weg. Wat herkende ik net in je houding? Verwondering maakt zich van mij meester, mijn gedachten dwalen weg van de lust die ik in mijn lijf voelde, zonet nog. Dit moment sla ik op.
Mijn blik gaat naar je gezicht, je uitdrukking is net niet zichtbaar, je ogen gaan schuil in de schaduw van je haar, je hoofd iets gebogen. De gekleurde banen op je rokje kan ik nu net onderscheiden, de plooien verwaaien bij iedere stap die je zet. Steeds is er wat meer van je dijbeen zichtbaar tot je voet de grond weer raakt. Ik laat mij opwinden door het wiegen van je heupen, je gebruinde knie, de binnenwaartse glooiing van je dijbeen, het zicht op je halsstreek, daar waar je topje in een V openstaat, de stof met de knoopjes naar buiten krullend. Mijn gedachte aan een hand op je middel, net voorbij je zij, in je onderrug, boven je bil. Minder dan honderd meter, je mond wordt duidelijker, je volle lippen, toch ontspannen. Heb ik het verkeerd ingeschat? Of ontbreekt er synschroniciteit tussen je lijf en je gezicht? Ik richt mij op je gezicht, je hoofd nog steeds licht neerwaarts, de uitdrukking van een overpeinzing. De hond slaat aan, een blaf. Een vermaning, glimlachend, je richt je hoofd op. En nog zie je mij niet staan. Nog een blaf, feller nu, de achterpoten licht gebogen in spanning, de voorpoten hoger, de kop omhoog. Drie harde blaffen. Vanuit haar onderdanige positie breekt Senna los en sprint in mijn richting, ze kijkt nog eens om, maakt een halve draai naar je, alsof ze zegt, kijk dan wat ik gezien heb, en nadert mij dan tot op enkele meters.
Minder dan vijftig meter, je lacht, een volle lach. Je ogen helder en open. Speel je toneel? De hond verraad je niet. Het is jouw hond, ze is loyaal. Senna draait zich naar je om, kijkt vragend en blaft één keer. Je knikt: het is goed. De hond komt naar me toe, ik aai over haar kop, zak even door mijn knieen om de afstand te verkleinen. Ze likt mijn hand, snuffelt even mijn kruis. Dan verliest ze de aandacht en rommelt wat in de struiken aan de overkant van het pad. Ik kijk je aan, nog vijftien meter. Ik ben ontspannen. Jij bent licht bezweet, je ogen stralen. Een verrassing dat ik hier ben, je zegt het en je lichaam bevestigt het. Ik strek mijn armen naar je uit, je versnelt je pas en begint te lachen, je mond opent, je lippen breed en vochtig. Ik verlang naar je. Onze handen raken elkaar, ik trek je naar me toe, jij springt in mijn armen. Onze omhelzing is warm, je zachte lippen raken de mijne, je likt met je tong over mijn bovenlip. Ik proef je zweet, zoet niet zout.
Mijn armen op je rug, warm maar nog droog, de stof van je topje zacht, mijn handen zonder grip. Ik omklem je beide zijen met mijn handen, zover als ik mijn armen nog kan uitstrekken. Je umpft van ademgebrek. Ik lach en laat iets vieren, je lacht mee. Uit mijn armen laat ik je lichaam langzaam los, je stapt iets achteruit, met mijn handen pak ik je licht vast, ter hoogte van je buik, aan de zijkant. Jouw handen op mijn schouders, je wrijft, je streelt, je kijkt me vragend aan. Je ogen zijn omfloerst, een lichte waas, je knippert, een draadje spuug naast je mond, je likt het weg, je ogen even afgewend. Mijn handen gaan naar je hals, op weg naar boven streel ik je zij, langs je borsten, je bovenarmen en je schouders. Met je rechterhand neem je mijn rechterhand, in een kruiselingse greep. Je verlegt mijn hand van je schouder naar net boven je linkerborst, je moedigt me aan je daar te strelen. Jij hunkert naar mij zoals ik verlang naar jou. Mijn hand glijdt over de gladde stof, mijn duim haak ik in de V in de stof die je decolleté toont. Zachtjes trek ik de stof naar voren en met één vloeiende beweging draai ik mijn hand onder de stof, hand op huid, ik voel het zachte vlees van je borst, je sluit je ogen, je rechter hand valt even doelloos naar beneden.
Dan til je je hand weer op en raakt de band van mijn broek, je trekt me naar je toe, je vingers glijden onder mijn shirt, je streelt mijn heup, mijn rug, mijn bil. Hand op huid, ik voel de palm van je hand net boven mijn heupbot een gat branden. De hitte is enorm. Ik sla mijn ogen op, jij likt je lippen, je andere hand schuift in mijn nek, je trekt ons dichter bij elkaar. Je mond gaat open, je likt nogmaals, we versmelten, mijn grip op je borst verstevigt, je kreunt, en bijt even in mijn tong. Heftig gaan onze tongen langs elkaar, een speekselvloed dwingt ons te slikken, we laten even los, we lachen, het kwijl langs onze kinnen naar beneden. We halen zwaar adem, ik ben duizelig, jouw ogen vlammen, je hart klopt in de muis van mijn hand, ik streel je borst, je tepel grijp ik tussen duim en wijsvinger, ik knijp, jij gilt.
En dan laat je los, je duwt me van je af. Schuldbewust kijk je om je heen. We staan tien meter achter je ouderlijk huis. Midden op de dag, midden op het pad. Waar niet alleen jij vandaag je hond uitlaat, maar zometeen, aan het eind van de middag heel de buurt met de hond voorbij komt. Je grijpt mijn handen, je buigt je hoofd. Ik pak je vast, liefdevol, zacht. Je lichaam hangt lichtjes achterover in de kommetjes die mijn handen rond je middel vormen. Je kijkt me aan, uitdagend. Je speelt met me, en ik laat met me spelen. Het vuur wakkert weer aan, we vergeten waar we zijn, onze lippen vinden elkaar, onze handen brengen onze lichamen in extase. Jouw hand gaat naar de knoop van mijn broek. En verdwijnt dan achter de broekband, je vergroot mijn opwinding door me daar te strelen, daar waar het geil je vingers nu vochtig maakt. Ik hijg, met je andere hand verstevig je je greep in mijn nek, je houdt mijn lichaam dicht bij het jouwe. Mijn hand ligt aan de binnenzijde van je dijbeen, de zoom van je rokje binnen bereik. Mijn vingers glijden traag omhoog, tot aan de rand van je broekje, een lichte aarzeling, je vingers knijpen lichtjes in mijn nek, mijn duim trekt het katoen opzij, mijn vingers vinden hun weg in warmte en vocht. Je grip verhevigt, je ademhaling snel. In een lichte dans van vingers, vocht en warmte vervoeren we elkaar. De hitte van de middag, de stilte van het uur, onze hunkerende lichamen. We vinden elkaar.
Ik blijf waar ik ben, je hebt mij nog niet gezien. Zo'n driehonderd meter is er nog tussen ons. Jij richt je aandacht op de hond, de lijn vermoed ik in je hand, je bent in jouw moment, de wandeling met Senna, je gedachten bij...? Je verwacht me niet. En zoeven had ik nog niet het idee om hier te zijn, het was spontaan. Ik fietste voorbij op weg naar huis en dacht aan jou, mijn lijf hunkerend naar het jouwe. En voor ik het wist stond mijn fiets tegen de garagemuur, vond ik een gesloten deur en geen hond die aansloeg. Het moment van verlangen vergroot ik door nu niet te gaan rennen, nu ik weet dat je binnen bereik bent. Ik wacht op jouw reactie op mijn aanwezigheid. Ik zal het zien, aan je lichaam, aan je pas, aan je ademhaling, aan je ogen, aan je mond. En de hond zal je verraden als je toneel speelt. Verstijft ze, dan wil je me niet ontvangen. Blijft ze speels dan ben je ontspannen. Ik wacht op mijn iets verheven positie, doe een stap terug richting de bosschage. Vanuit mijn plek in de schaduw heb ik een goed zicht op het licht glooiende pad dat je nog te volgen hebt tot we elkaar ontmoeten. De kans dat je mij hier ontwaart is klein, zeker tot het moment dat ik in je ogen kan kijken, op zo'n vijfentwintig meter afstand, zul je niet weten dat ik hier sta.
Je wandelt traag, de hond danst om je benen, in gedachten verzonken steek je af en toe een afwerende hand uit. Nee, niet spelen nu lijk je te zeggen. Wat houd je bezig? Hoewel je langzaam vordert is je pas krachtig, niet slepend. Hoe dichterbij je komt, hoe meer detail ik ontwaar. Je wandelt tussen de bramen en frambozen struiken die langs het pad woekeren, nog steeds een speels springende hond om je blote benen. Telkens weer weer je haar af, soms een stapje opzij om een mogelijke hondenpoot op je blote vel te vermijden. Het is warm en ik ben blij met mijn plekje in de schaduw. Je rustige ritme is een goede keus bij deze hitte. Je veegt zo nu en dan een hand over je korte rokje. De knoopjes van je topje staan allemaal open. Je hand gaat regelmatig naar je nek, je wrijft de warmte weg, tevergeefs. Je platte zwarte schoenen hebben een grijs zweem van het zand op het pad. Al lopend trek je een stoffig spoor achter je aan.
Ik schat de meters, vanaf het moment dat ik je herkende heb je meer dan de helft van de afstand overbrugd. De hond blijft plots staan, geen sprongen meer. De neus omhoog, onrustig gedraai. Ik blijf doodstil staan. Wat voor jou geldt, geldt ook voor mij. De hond zal ons allebei verraden. En ik ben eerst aan de beurt. Je kijkt nog steeds niet op, je blik gaat naar Senna, een hand uitgestoken naar de kop van de hond. Ze weert af, ze weert jou af. Ze gaat zitten en wacht, wacht op jouw commando. Even richt je je op, je rug recht en je blik in de verte. Maar je kijkt niet, je ziet niets. Je gedachten houden je blik naar binnen gevangen. Je hervat je wandeling, de hond volgt gedwee. De glimlach die ik zoeven nog op mijn lippen had, sterft langzaam weg. Wat herkende ik net in je houding? Verwondering maakt zich van mij meester, mijn gedachten dwalen weg van de lust die ik in mijn lijf voelde, zonet nog. Dit moment sla ik op.
Mijn blik gaat naar je gezicht, je uitdrukking is net niet zichtbaar, je ogen gaan schuil in de schaduw van je haar, je hoofd iets gebogen. De gekleurde banen op je rokje kan ik nu net onderscheiden, de plooien verwaaien bij iedere stap die je zet. Steeds is er wat meer van je dijbeen zichtbaar tot je voet de grond weer raakt. Ik laat mij opwinden door het wiegen van je heupen, je gebruinde knie, de binnenwaartse glooiing van je dijbeen, het zicht op je halsstreek, daar waar je topje in een V openstaat, de stof met de knoopjes naar buiten krullend. Mijn gedachte aan een hand op je middel, net voorbij je zij, in je onderrug, boven je bil. Minder dan honderd meter, je mond wordt duidelijker, je volle lippen, toch ontspannen. Heb ik het verkeerd ingeschat? Of ontbreekt er synschroniciteit tussen je lijf en je gezicht? Ik richt mij op je gezicht, je hoofd nog steeds licht neerwaarts, de uitdrukking van een overpeinzing. De hond slaat aan, een blaf. Een vermaning, glimlachend, je richt je hoofd op. En nog zie je mij niet staan. Nog een blaf, feller nu, de achterpoten licht gebogen in spanning, de voorpoten hoger, de kop omhoog. Drie harde blaffen. Vanuit haar onderdanige positie breekt Senna los en sprint in mijn richting, ze kijkt nog eens om, maakt een halve draai naar je, alsof ze zegt, kijk dan wat ik gezien heb, en nadert mij dan tot op enkele meters.
Minder dan vijftig meter, je lacht, een volle lach. Je ogen helder en open. Speel je toneel? De hond verraad je niet. Het is jouw hond, ze is loyaal. Senna draait zich naar je om, kijkt vragend en blaft één keer. Je knikt: het is goed. De hond komt naar me toe, ik aai over haar kop, zak even door mijn knieen om de afstand te verkleinen. Ze likt mijn hand, snuffelt even mijn kruis. Dan verliest ze de aandacht en rommelt wat in de struiken aan de overkant van het pad. Ik kijk je aan, nog vijftien meter. Ik ben ontspannen. Jij bent licht bezweet, je ogen stralen. Een verrassing dat ik hier ben, je zegt het en je lichaam bevestigt het. Ik strek mijn armen naar je uit, je versnelt je pas en begint te lachen, je mond opent, je lippen breed en vochtig. Ik verlang naar je. Onze handen raken elkaar, ik trek je naar me toe, jij springt in mijn armen. Onze omhelzing is warm, je zachte lippen raken de mijne, je likt met je tong over mijn bovenlip. Ik proef je zweet, zoet niet zout.
Mijn armen op je rug, warm maar nog droog, de stof van je topje zacht, mijn handen zonder grip. Ik omklem je beide zijen met mijn handen, zover als ik mijn armen nog kan uitstrekken. Je umpft van ademgebrek. Ik lach en laat iets vieren, je lacht mee. Uit mijn armen laat ik je lichaam langzaam los, je stapt iets achteruit, met mijn handen pak ik je licht vast, ter hoogte van je buik, aan de zijkant. Jouw handen op mijn schouders, je wrijft, je streelt, je kijkt me vragend aan. Je ogen zijn omfloerst, een lichte waas, je knippert, een draadje spuug naast je mond, je likt het weg, je ogen even afgewend. Mijn handen gaan naar je hals, op weg naar boven streel ik je zij, langs je borsten, je bovenarmen en je schouders. Met je rechterhand neem je mijn rechterhand, in een kruiselingse greep. Je verlegt mijn hand van je schouder naar net boven je linkerborst, je moedigt me aan je daar te strelen. Jij hunkert naar mij zoals ik verlang naar jou. Mijn hand glijdt over de gladde stof, mijn duim haak ik in de V in de stof die je decolleté toont. Zachtjes trek ik de stof naar voren en met één vloeiende beweging draai ik mijn hand onder de stof, hand op huid, ik voel het zachte vlees van je borst, je sluit je ogen, je rechter hand valt even doelloos naar beneden.
Dan til je je hand weer op en raakt de band van mijn broek, je trekt me naar je toe, je vingers glijden onder mijn shirt, je streelt mijn heup, mijn rug, mijn bil. Hand op huid, ik voel de palm van je hand net boven mijn heupbot een gat branden. De hitte is enorm. Ik sla mijn ogen op, jij likt je lippen, je andere hand schuift in mijn nek, je trekt ons dichter bij elkaar. Je mond gaat open, je likt nogmaals, we versmelten, mijn grip op je borst verstevigt, je kreunt, en bijt even in mijn tong. Heftig gaan onze tongen langs elkaar, een speekselvloed dwingt ons te slikken, we laten even los, we lachen, het kwijl langs onze kinnen naar beneden. We halen zwaar adem, ik ben duizelig, jouw ogen vlammen, je hart klopt in de muis van mijn hand, ik streel je borst, je tepel grijp ik tussen duim en wijsvinger, ik knijp, jij gilt.
En dan laat je los, je duwt me van je af. Schuldbewust kijk je om je heen. We staan tien meter achter je ouderlijk huis. Midden op de dag, midden op het pad. Waar niet alleen jij vandaag je hond uitlaat, maar zometeen, aan het eind van de middag heel de buurt met de hond voorbij komt. Je grijpt mijn handen, je buigt je hoofd. Ik pak je vast, liefdevol, zacht. Je lichaam hangt lichtjes achterover in de kommetjes die mijn handen rond je middel vormen. Je kijkt me aan, uitdagend. Je speelt met me, en ik laat met me spelen. Het vuur wakkert weer aan, we vergeten waar we zijn, onze lippen vinden elkaar, onze handen brengen onze lichamen in extase. Jouw hand gaat naar de knoop van mijn broek. En verdwijnt dan achter de broekband, je vergroot mijn opwinding door me daar te strelen, daar waar het geil je vingers nu vochtig maakt. Ik hijg, met je andere hand verstevig je je greep in mijn nek, je houdt mijn lichaam dicht bij het jouwe. Mijn hand ligt aan de binnenzijde van je dijbeen, de zoom van je rokje binnen bereik. Mijn vingers glijden traag omhoog, tot aan de rand van je broekje, een lichte aarzeling, je vingers knijpen lichtjes in mijn nek, mijn duim trekt het katoen opzij, mijn vingers vinden hun weg in warmte en vocht. Je grip verhevigt, je ademhaling snel. In een lichte dans van vingers, vocht en warmte vervoeren we elkaar. De hitte van de middag, de stilte van het uur, onze hunkerende lichamen. We vinden elkaar.
vrijdag 4 januari 2008
En Retour
...misschien dat ik er even naar toe loop om mijn hamer aan te bieden". En voordat ik van mijn observerende positie de omslag naar participerend had gemaakt, was haar buurvrouw me voor. En nu is er dan toch het contact, zij initieert. Heidi uit Basel, een mooie vrouw om te zien, ongeveer mijn leeftijd, een open en vriendelijk gezicht. En een jurk met een fantastische kleur, oranje: ...
lees verder
lees verder
Abonneren op:
Posts (Atom)